2003 Hij is niet leerbaar werd gezegd. Hij zal nooit kunnen zwemmen of fietsen. Hij zal nooit leren schrijven of lezen. Deze jongen heeft het niveau van een kind van anderhalf en hij is al bijna vier jaar. Hij kan nog niet uit een beker drinken, hij spreekt nog geen enkel woord. Een lepel vasthouden is voor hem onmogelijk. Hij is een boos en gefrustreerd mannetje, hij gooit en smijt met dingen en doet niet anders dan schreeuwen. De andere kinderen zijn bang voor hem.
Hij loopt de hele dag boeken uit de boekenkast te stapelen, hij stapelt tientallen cd’s steeds maar weer opnieuw. Het lichtknopje gaat tientallen keren aan en uit. Zijn auto’s liggen op de kop om aan de wieltjes te kunnen draaien.
2004 Hij zegt zijn eerste woordje “mamma”. Hij drinkt zelfstandig uit een beker, hij speelt liedjes foutloos op een speelgoed pianootje, hij trapt zijn longen uit zijn lijf op de driewieler buiten en hij gebruikt gebarentaal om zich verstaanbaar te maken. ’s Middags smeert hij zijn eigen brood en krijgt een vriendinnetje. En dan het verlossende woord: Hij mag naar school. Niet naar een school voor zeer moeilijk lerende kinderen, niet naar het speciaal basisonderwijs (vroeger Lomschool genoemd), maar naar een school voor kinderen met gehoor en spraakproblematiek.
2010 Zijn woordenschat is hoog, met rekenen loopt hij zeventien maanden voor en met taal veertien maanden. Verbaal is hij enorm sterk, maar sociaal-emotioneel absoluut niet. Zijn rapport bestaat uit negens en tienen. Voordrachten verzint hij terplekke die met uitmuntend bekroond worden. Hij weet alles over mythologie, de bijbel, de landen en geschiedenis. Hij leert Engels en Frans. Hij tekent stripboeken vol over Galliërs en Vikingen. Hij schrijft verhalen over oorlogen en revoluties en soms op zijn eigen web-log. Mijn zoon.
Hij is niet leerbaar werd gezegd.